vorige pagina
Startpagina
Le Feuillardier

    In het woordenboek staat dat Feuillard een bandstaal is. Definitie: bande de bois ou de fer servant à  faire les cercles de tonneaux. Dus een band van hout of ijzer om als cirkel om een ton te dienen. Een Feuillardier is hiermee degene die die cirkels vervaardigd.
    Vandaag heb ik de eer een afspraak te hebben met de Feuillardier van Le Bugue. Dit eenzame beroep dat in een cabane in de tamme kastanje bossen wordt beoefend is uitstervend: er zijn niet voldoende jonge mensen die dit mooie beroep in stand willen houden. Het is samen met de dames van lichte zeden en smeden, één van de oudste beroepen. Het vak stamt uit de tijd van de Galliërs.

    Feuillardier

    Van kastanjetwijgen worden van oudsher ringen gemaakt om tonnen heen die wijn of Cognac bevatten. De alcohol rijpt twee jaar in vaten met deze ringen erom. Op twee manieren dient de kastanjehouten ring ter protectie. Ten eerste beschadigt de ton niet wanneer hij gerold wordt en ten tweede wordt de vraatschade door boktorren voorkomen doordat een boktor (capricorne) meer van kastanjehout houdt dan van het eiken van de vaten. De eitjes worden in de kastanjehouten ring gelegd en zo behoudt het eikenhouten rijpingsvat zijn kwaliteit. Vooral in de streken Bourgogne, Bordeaux, Médoc, st. Emillion en Charante wordt met Feuillardes gewerkt. Door het tekort aan Feuillardiers, zijn er dus ook houten ringen tekort. Hierdoor wordt er vandaag de dag veel met plastic ringen gewerkt. Deze zijn echter duurder en moeilijker aan te brengen rond de tonnen.
    Na het rijpingsproces gaat de drank over in andere tonnen met ijzeren ringen en blijft daarin voor twee tot drie jaar onaangeroerd in de caves liggen.

    In mijn Berlingo rijd ik deze middag met een routebeschrijving op schoot de bossen van Le Bugue in. De zon speelt tussen de bladeren en is af en toe zichtbaar tegen een wolkenloze hemel. Na een tijdje doemt tussen de bomen een halfronde langwerpige hut op. De bogen zijn gemaakt van vier a vijfjarige kastanjetakken. Het “dak” is bedekt met takkenschaafsel. Voor- en achterkant zijn open. Dit geheel vormt een tunnelvormige werkplaats waarin allerlei gereedschap staat opgesteld voor het vervaardigen van de tonringen.

    Een vriendelijk mannetje komt lachend en met uitgestoken hand ter begroeting op me af gelopen. Zijn gezicht is verweerd door het dag in dag uit werken in de buitenlucht en zijn houding is lichtgebogen door tientallen jaren fysiek arbeiden.
    Albert is 84 jaar oud en beoefent nog steeds gepassioneerd zijn vak. Toen hij tien jaar was is hij in de leer gegaan bij twee buurjongens van dertien en veertien jaar(!). Na acht maanden onder toezicht het vak geleerd te hebben, kreeg hij een certificaat van de Franse staat en kon hij zelfstandig aan de slag. Heden ten dage zijn de leermeesters minstens drie of vier keer zo oud als in zijn jeugd, maar de acht maanden leertijd gelden nog steeds voor het behalen van het certificaat. Bedroefd vertelt hij dat er in 1940 nog 2000 Feuillardiers waren in de Dordogne en in 1997 nog slechts 120… Dit aantal is sindsdien wel stabiel gebleven. ‘De jongeren willen tegenwoordig alleen maar op kantoor werken en hun handen niet meer gebruiken' voegt hij er nog aan toe.

    Enthousiast vertelt Albert dat er van één september tot vijftien april twijgen geoogst worden uit het kastanjebos. De sappen zijn dan gedaald in de bomen. De twijgen worden geselecteerd op leeftijd, rechtheid, dat er geen “knopen” inzitten en geen boomsap. De jonge takken zijn op het moment van oogsten vier jaar oud en circa 28 a 30 millimeter doorsnede. Ze moeten goed recht zijn om er mooie ronde ringen van te kunnen maken en geen vertakkingen hebben die de zogenaamde knopen veroorzaken. De lengte is zeven voet voor de kop en kont van de vaten en acht voet voor het middengedeelte. Respectievelijk
    2.40  en 2.80 meter lang. De maatstaf “voet” stamt ook nog uit de tijd van de Galliërs.
    De takken worden naar de hut vervoerd met een tractor. In de periode na half april is er niet meer te oogsten en worden in de werkplaats cirkels gemaakt van de vergaarde takken.
    Bospercelen worden eens in de zoveel tijd gekapt voor onder andere de haardhout productie. Gekapte kastanjebomen lopen na de kap weer uit in vele vertakkingen. Totdat die stammen, zonder tussenkomst van een feuillardier,  na een aantal jaar weer dik genoeg zijn voor herkap.
    Sinds een aantal jaar woedt er echter een schimmelziekte in de kastanjebomen van de streek, le chancre. Deze wordt onder andere overgebracht door een kever die drager is van deze schimmel en de boom ziek maakt door eraan te knagen. (Ook regenwater, wind, vogels en slakken kunnen voor de verspreiding van de schimmelsporen zorgen.) Alleen stammen van ouder dan tien jaar zijn vatbaar voor deze ziekte. Van het jonge hout zijn de kevers niet gediend, wat de feuillardiers natuurlijk goed uitkomt. Maar voor jonge kastanje loten vormen de reeën weer een belangrijke bedreiging, zij zijn dol op de sappige jonge bast. De jagers uit de streek gebruiken dit feit gretig om hun geliefde sport te kunnen beoefenen.
    Tonnenmaker

    Geïntrigeerd bekijk ik de verschillende werktuigen en gereedschap die ieder voor zich ordelijk zijn gerangschikt in de cabane. Zij zijn minstens zo oud als Albert zelf. Hij pakt een tak vast, teder bijna, en bekijkt hem met een keurende blik. De twijg wordt goed bevonden en het werk begint. De eerste handeling van tak naar bandstaal is het splijten op een werkbank. Ter voorbereiding hakt hij met een kapmes een inkeping in het hout. De tak wordt daarna met kracht tegen een bewerkt stukje hout geduwd en lijkt met gemak te splijten. Een houten pin zorgt ervoor dat het stukje hout op zijn plek blijft zitten. Daarna worden de gespleten takken met een handmes op anderhalve centimeter dikte geschaafd. Zijn gerimpelde handen zien er sterk en vakkundig uit, dat mag ook wel na 74 jaar praktijkervaring! Op zijn borst draagt hij een klein schort met een leren lap. De te schaven tak drukt hij hier tegenaan. Met beide handen trekt hij het mes met vaste bewegingen naar zich toe. De leren lap beschermt zijn borst.

    Wijntonnenmaker

    Het zaagsel ligt op een grote hoop onder de werkbank. Deze schaafselresten worden gebruikt om het dak van de hut te bedekken en zo waterdicht te maken. De derde handeling wordt uitgevoerd met de centreuse, een machine om de toekomstige tonringen rond te vormen. Eenmaal rond worden ze vastgemaakt met wilgenteen en op een oude houten moule, een pasvorm, gedrukt. De pasvorm vult zich gestaag onder mijn bewonderende blik. Per vierentwintig ringen worden ze met vier stukken ijzerdraad vastgebonden en te drogen gehangen aan het plafond van de werkplaats. Hier drogen de pakketten zes maanden om vervolgens -alleen op bestelling- te worden afgeleverd bij de tonnelier, de kuiper. Voordat de ringen om de ton gaan, worden ze oppervlakkig bevochtigd zodat ze gemakkelijker te buigen zijn.
    Uit iedere handeling en ieder woord van Albert spreekt liefde voor zijn vak. In gedachten verzonken kijk ik naar de schaafselresten die het dak bedekken. Zaagsel van ontelbare ringen, waarvan velen allang aangevreten door boktorren of vervangen voor een nieuwe rijpingsperiode van jonge wijn of Cognac.


    Sinds mijn ontmoeting met Albert heeft mijn dagelijkse glas wijn een extra twinkelend smaakje.


    Danielle van Duijn

    Danielle van Duijn is de schrijfster van het boek "VerhalenderWijs". Hierin beschrijft zij hoe ze  door het wonen in la douce France steeds wat wijzer is geworden. Over zichzelf, het buitenleven, het volk, het land, de verschillen met Nederland en het leven in het algemeen. Soms door schade en verdriet, maar bovenal met verbazing en plezier. De belevenissen uit haar nieuwe leefwereld heeft zij naar waarheid en in chronologische volgorde aan het papier toevertrouwd. Dit boek is het resultaat! Het boek bestaat uit 88 korte verhalen, telt 292 bladzijden en is geïllustreerd met cartoons.

    Bestel het boek van Danielle hier .

     

     

    Bron van dit artikel